‘In een onzekere wereld waarin dagelijks van alles verandert, biedt de mondiale demografie ons gelukkig nog enige zekerheid.’ Dat zegt WRR-voorzitter Corien Prins wanneer ze ongeveer 120 mensen welkom heet op de bijeenkomst die de WRR op 10 maart organiseert naar aanleiding van het eind vorig jaar verschenen rapport ‘Met de mondiale demografie mee’.
Beeld: © WRR
‘De Nederlandse economie en de samenleving zijn sterk afhankelijk van arbeid in en uit andere landen’, zegt WRR-onderzoeker Roel Jennissen, een van de makers van het rapport. In zijn inleiding laat hij zien dat de wereldbevolking ingrijpend gaat veranderen en daarmee ook het wereldwijde aanbod van arbeid.
Nederland moet zich volgens hem focussen op landen waar de beroepsbevolking relatief groot is ten opzichte van het aantal ouderen en jongeren, of waar zo’n demografisch dividend in de toekomst zal ontstaan. Door goede afspraken met deze landen te maken, kan Nederland de te verwachten arbeidsmarkttekorten opvangen nu de migratie uit Oost-Europa sterk terugloopt. Via ontwikkelingssamenwerking kan Nederland hen helpen om het levensniveau van hun inwoners structureel te verhogen. Voor Nederlandse bedrijven ontstaan er nieuwe handelsmogelijkheden nu China de komende decennia sterk vergrijst.
Peter Schuurman, speciaal gezant voor migratie bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, noemt het WRR-rapport een wake-up call. ‘Migratie is van alle tijden. Hoe je het ook wendt of keert, Nederland blijft een zeer open land met een zeer open economie. De mondiale demografie is daarom belangrijk voor ons land.’
Welbegrepen eigenbelang
De verschillende hoofdlijnen die in het rapport zitten, komen terug in de middag. Na de plenaire opening verdelen de deelnemers zich over sessies over arbeidsmigratie, handel, minder afhankelijk worden van buitenlandse arbeid en ontwikkelingssamenwerking.
In die laatste sessie spreken zo’n twintig bezoekers over de aanbeveling uit het rapport om internationale samenwerking te versterken en investeringen te laten aansluiten op de fase in de demografische transitie waarin een land zich bevindt.
‘Ik zie raakvlakken tussen het WRR-rapport en ons recente rapport’, reageert Jorrit Oppewal van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV). Als secretaris van de AIV-commissie Internationale Betrekkingen werkte hij mee aan het rapport Nederland, Europa en het mondiale Zuiden in een veranderende wereldorde. ‘Ook wij pleiten voor een strategische verdieping van de relaties met landen in het mondiale zuiden en zien het belang van samenwerking. Dat is ook welbegrepen eigenbelang voor Nederland.’
Kansen voor het zuiden
Volgens Oppewal kan Nederland via handel en ontwikkelingssamenwerking processen in gang zetten in het mondiale zuiden. Zelf werkte hij lang als ontwikkelingseconoom in Mozambique, een van de landen met een hoog vruchtbaarheidscijfer. Tussen 2000 en 2025 verdubbelde de bevolking er van 18 naar 36 miljoen.
‘Daar komt nogal wat bij kijken’, zegt Oppewal. Zo zal ook het aantal scholen en leraren moeten verdubbelen, terwijl er daar nu al te weinig van zijn en de overheid weinig belastinginkomsten heeft. ‘Om ongeveer hetzelfde niveau te houden, moet je rennen. Eigenlijk is dat running to stand still. Het is moeilijk om ook een verbeterslag te bereiken.’ Tegelijkertijd ziet hij kansen. ‘Demografisch dividend kan zorgen voor een snelle economische ontwikkeling. Dat zie je ook in het WRR-rapport.’
Beeld: © WRR
Belangen ontwikkelingssamenwerking
‘Dat ontwikkelingssamenwerking moet variëren naar de fase van de transitie is analytisch overtuigend’, zegt Hilde Bras, hoogleraar Economische en Sociale Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. ‘Landen met een hoge kindersterfte en een hoge vruchtbaarheid hebben immers andere prioriteiten dan landen met een groeiende beroepsbevolking. Bij die eerste groep zijn investeringen in basisgezondheidszorg, moeder- en kindzorg en onderwijs cruciaal, bij die tweede groep gaat het meer om: banen, infrastructuur en vaardigheden.’
Maar Bras ziet in deze manier van denken ook een risico. Zodra het ontwikkelingsbeleid geformuleerd wordt in termen van het versnellen van de demografische transitie of het realiseren van een demografisch dividend, verschuift de nadruk van rechten en welzijn naar economische doelmatigheid. Legitieme doelen van ontwikkelingssamenwerking zijn voor haar in de eerste plaats gezondheid, onderwijs, economische kansen en autonomie – de rechten van burgers en huishoudens dus. Demografische verandering en economische ontwikkeling zijn daarvan neveneffecten.
‘De demografische verandering is er nu eenmaal’, zegt WRR-onderzoeker Gijsbert Werner die het project over de mondiale demografie coördineerde. ‘Hoe kun je er dan voor zorgen dat het grote aandeel van mensen in de werkende leeftijd leidt tot welvaartsgroei? Primair voor de mensen in het land zelf, maar ik denk dat het voor het Nederlandse ontwikkelingsbeleid ook legitiem is om te kijken naar de belangen van Nederland.’
Net als Bras vindt hij het goed om daar expliciet over te zijn. De belangen van Nederland hoeven niet te botsen met die van de partnerlanden.
Korte en lange termijn
Een verdieping lager spreken ruim veertig mensen over arbeidsmigratie. Voorzitter Monique Kremer van de Adviesraad Migratie gaat in op wat het betekent om beleid vorm te geven voor mensen van buiten Europa. Zij wijst op de problemen in het huidige arbeidsmigratiebeleid. Zo is er te weinig erkenning voor de structurele aard van wat ‘misstanden’ worden genoemd en te weinig aandacht voor de gevolgen van lokale concentraties van arbeidsmigranten op de sociale samenhang. Ook kijken we te veel naar de korte termijn. De vraag of arbeidsmigranten op de lange termijn nog wel naar Nederland wíllen komen, wordt volgens haar nauwelijks gesteld.
Kremer stelt dat arbeidsmigratiebeleid een brede-welvaartslens nodig heeft, met aandacht voor economie, samenleving en ecologie – hier, elders en in de toekomst. Om dit mogelijk te maken, moeten we nu al nadenken over arbeidsmigratie van buiten de EU. De adviesraden Migratie en Internationale Vraagstukken komen binnenkort met een publicatie met een pleidooi voor onder andere brede internationale partnerschappen.
Vakkrachten in Duitsland
Michael van der Cammen pleit voor wat hij noemt: een triple winbeleid. Volgens de voormalige directeur Internationale Betrekkingen van de Bundesagentur für Arbeit moet arbeidsmigratie voordelen opleveren voor zowel de migrant zelf, het land van aankomst als het land van herkomst. Hij wijst erop dat het Duitse beleid lange tijd was gericht op academici en andere hoogopgeleiden, terwijl de arbeidsmarkttekorten nu vooral optreden bij middelbaar- en praktisch geschoolden.
Tegenwoordig werft Duitsland ook vakkrachten van buiten de EU voor bijvoorbeeld de bouw, de techniek en de zorg. Bij het maken van afspraken daarover met partnerlanden speelt de demografie van die landen een rol. Duitsland zet in op partnerschappen met landen met een groot en groeiend aandeel mensen van werkende leeftijd en een relatief hoge werkloosheid.
Het kwantitatieve doel van Duitsland om de omvang van de beroepsbevolking op peil te houden, blijkt moeilijk te realiseren. Omdat personeelstekorten structureel zijn, heeft Duitsland de mogelijkheden voor arbeidsmigratie van vakkrachten versimpeld en verbeterd: meer nadruk op skills en minder op kwalificaties, efficiëntere visa-regelingen en een beter samenleefbeleid.
Japans antwoord op vergrijzing
In een zaaltje verderop is de sessie over minder afhankelijk worden van arbeid in en uit het buitenland. AI-adviseur Willem Scheepers schetst de mogelijkheden die artificiële intelligentie en robotisering bieden om werk over te nemen. Hij verwacht dat hierdoor Nederland in de toekomst mogelijk minder afhankelijk zal zijn van arbeid in en uit andere landen. Tegelijkertijd betekent dit wel dat we méér afhankelijk worden van buitenlandse technologie.
Via een videoverbinding vertelt NOS-correspondent Anoma van der Veere dat Japanse politici technologische ontwikkelingen vaak voorstellen als dé oplossing voor de vergrijzing, die daar al veel verder gevorderd is dan in Nederland. Volgens Van der Veere, die tevens onderzoeker is bij het Leiden Asia Centre, zijn dat luchtspiegelingen. Zo staat in Japan de zorg onder druk, zijn de lonen laag en willen de arbeidsmigranten die het land hard nodig heeft vaak liever naar elders. Het is dus niet zo gemakkelijk om de eigen vergrijzing door te komen zonder arbeid uit het buitenland.
Kansen voor handel
In het zaaltje ernaast zegt Matthys van der Lely van AsiAspire, dat bedrijven bijstaat die zaken willen doen in Azië, dat er grote kansen liggen in landen met een fors demografisch potentieel zoals de Filipijnen en Bangladesh. Daarbij gaat het niet alleen om de outsourcing van productie, maar ook steeds meer om die van diensten.
Marjolijn Jaarsma van het CBS geeft aan dat een derde van het Nederlandse bbp ontstaat uit de export van goederen en diensten. Terwijl de uitvoerwaarde van Nederlandse goederen geleidelijk daalt, neemt die van diensten toe (net als die van de wederuitvoer). Haar cijfers laten zien dat de bevolkingsgroei in het verleden zich niet altijd vertaalde in meer handel. Om de kansen te kunnen grijpen die de wereldwijde demografie biedt, is handelsbeleid belangrijk en het sluiten van vrijhandelsakkoorden.
Totaal andere situatie
‘We moeten ons realiseren dat de demografische verandering niet een verschijnsel is dat zomaar overgaat. We komen echt in een totaal andere situatie dan toen we onze verzorgingsstaat aan het bouwen waren’, zegt NIDI-directeur Helga de Valk tijdens de paneldiscussie in de grote zaal waarmee de middag wordt afgesloten. De Valk was vicevoorzitter van de staatscommissie die in 2024 de regering adviseerde over de demografische veranderingen in Nederland. Het WRR-rapport laat volgens haar zien dat het waardevol is om ook de demografische veranderingen buiten de landsgrenzen mee te wegen in het beleid. Daarvoor is een demografische kennisinfrastructuur in Den Haag belangrijk.
Het panel spreekt over de drie pijlers uit het rapport: handel, ontwikkelingssamenwerking en arbeidsmigratie. Marlou Schrover, hoogleraar Economische en Sociale Geschiedenis aan de Universiteit Leiden, stelt dat het beleid op het gebied van arbeidsmigratie effectief altijd ‘uitbesteed’ is geweest aan de werkgevers. Zij bepaalden hoeveel mensen naar Nederland kwamen en onder welke voorwaarden. Volgens haar is dat ook nu nog het geval.
‘Dat is dan des te meer reden om het in de toekomst anders te doen’, reageert WRR-onderzoeker Gijsbert Werner. ‘Door meer regie te voeren, kunnen we publieke en private baten en kosten evenwichtiger verdelen. Met de verschuiving naar herkomstlanden buiten de EU komen daar ook meer mogelijkheden voor. Op arbeidsmigratie uit die landen kunnen beleidsmakers meer invloed uitoefenen dan op de instroom van binnen de EU.’
Het gesprek gaat over de kosten en baten van arbeidsmigratie en de zorgen in de samenleving over uitbuiting, laagwaardig werk en druk op de woningmarkt. CPB-directeur Pieter Hasekamp benadrukt dat het belangrijk is om in Nederland meer in te zetten op economische activiteiten met een hoge toegevoegde waarde. Dat betekent mogelijk producten importeren die we nu nog zelf maken, zoals in de glastuinbouw.
Over de woningnood voegt hij toe: ‘Het zou mij niet verbazen als de arbeidsmigratie naar Nederland een netto positief effect heeft gehad op de woningnood. De bouw is sterk afhankelijk van mensen uit andere landen. Een bouwvakker uit het buitenland bouwt hier meer huizen dan hij zelf nodig heeft.’
Doorlopend gesprek
‘De grote opkomst en de mooie gesprekken van vandaag laten zien dat de discussie over de implicaties van mondiale demografische veranderingen voor het beleid nog niet is afgerond’, zegt WRR-onderzoeker Laura Vonk die de middag afsluit. ‘Zeker is dat de impact van die veranderingen groot gaat zijn, op domeinen zoals handel, arbeidsmigratie en internationale samenwerking. Vandaag is wat de WRR betreft een nieuwe stap gezet in dat doorlopende gesprek. Onze deur staat open voor een vervolg.’