Opblaaswereldbol in het gras

Helpt buitenlandse hulp arme landen om zich te ontwikkelen? Bijna zestig jaar na het ontstaan van de moderne ontwikkelingshulp leidt deze vraag tot een niet aflatende stroom publicaties.

Doeltreffendheid van ontwikkelingshulp

Achter vragen over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp en de afweging tussen verschillende potentiële instrumenten gaan fundamentele kwesties schuil. Hoe zinvol is het nog om over ‘de’ ontwikkelingslanden te spreken als daarmee zowel conflictstaten als snelgroeiende economieën worden aangeduid? Wat is ‘ontwikkeling’, hoe stimuleer je die, en welke rol hebben de mensen in de betreffende landen zelf? Hoe verhoudt armoedebestrijding zich tot het bevorderen van ontwikkeling? Kun je institutieopbouw in zich ontwikkelende landen van buiten bevorderen, zo ja hoe? En in hoeverre is het voor een lidstaat van de Europese Unie die tevens meedoet in internationale organisaties als de Wereldbank, het IMF en de WTO zinvol om vast te houden aan een eigen ontwikkelingssamenwerkingbeleid?

Meer ambitie

De WRR heeft deze vragen onderzocht. In zijn rapport Minder pretentie, meer ambitie. Ontwikkelingshulp die verschil maakt, concludeerde de raad dat de Nederlandse ontwikkelingshulp te versplinterd en te ongericht is. Om de effectiviteit van hulp te vergroten, moet de Nederlandse overheid zich concentreren op tien landen en daarmee een langdurig samenwerkingsverband aangaan. Daarbij dient Nederland zich te richten op onderwerpen waar het internationaal gezien in uitblinkt en toegevoegde waarde heeft, zoals landbouw en water.

Zelfredzaamheid

Hulp dient ook duidelijker gericht te zijn op ontwikkeling. Zelfredzaamheid van zowel individuen als landen zou van nu af aan uitdrukkelijk de doelstelling van ontwikkelingshulp moeten zijn. Daarbij passen realistische verwachtingen: ontwikkeling is afhankelijk van zo veel factoren dat hulp er hooguit een bescheiden bijdrage aan kan leveren.

Het rapport Minder pretentie, meer ambitie. Ontwikkelingshulp die verschil maakt is op 18 januari 2010 aangeboden aan de minister voor Ontwikkelingssamenwerking.