WRR-raadsleden Mark Bovens en Godfried Engbersen over 'De nieuwe verscheidenheid'

Maurice Crul schreef afgelopen zaterdag een kritische reactie op de onlangs verschenen WRR-verkenning ‘De nieuwe verscheidenheid: toenemende diversiteit naar herkomst in Nederland’ (In de stad is Marloes de nieuwkomer, NRC 2/6/2018).

Misverstanden

Wij  zouden ervan uitgaan dat migranten nieuwkomers zijn in de grote stad en de rust in homogene witte wijken komen verstoren. Ook zouden we moedwillig een verband hebben willen aantonen tussen diversiteit en negatieve sociale uitkomsten. De WRR zou voorbij gaan aan het werkelijke probleem van ‘superdiverse’ buurten, namelijk dat personen met een Nederlandse achtergrond, afkomstig uit kleine steden, aanpassingsproblemen kennen in de grote stad. Het is een wonderlijke kritiek die onbegrijpelijk is voor wie de moeite neemt het rapport te lezen. We zetten de belangrijkste misverstanden van Crul op een rij.

1.

Onze bevindingen gaan niet over de grote steden, maar over heel Nederland. We keken niet alleen naar Amsterdam en Rotterdam, maar brachten de sterk toegenomen verscheidenheid in heel Nederland in kaart. Onze data zijn gebaseerd op alle 17 miljoen ingeschreven inwoners van ons land en niet alleen op de buren van Crul in de Amsterdamse wijk Westerpark. Wat onze analyse laat zien is dat er grote verschillen zijn tussen gemeenten. Zo onderscheiden wij acht verschillende typen gemeenten, waaronder ook voorsteden, tuinbouwgemeenten, grensgemeenten, expatgemeenten, en grote provinciesteden. Ook zijn er binnen gemeenten grote verschillen in verscheidenheid tussen buurten.

2.

Het gaat niet over de oude diversiteit, maar over nieuwe verscheidenheid. Waar voorheen vooral Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen naar Nederland kwamen, komen er tegenwoordig kleine groepen uit een groot aantal landen. Slechts een minderheid van de inwoners met een migratieachtergrond behoort nog tot de ‘klassieke’ groepen, terwijl een meerderheid wortels heeft in een breed palet van andere landen. Dat vraagt om een nieuw perspectief. In het oude, post-koloniale of gastarbeidersperspectief dat Crul impliciet ook hanteert, gaat het bij diversiteit altijd automatisch over Antillianen, Marokkanen of Turken.

3.

Het gaat niet over nieuwkomers, maar over toegenomen verscheidenheid naar herkomst. Wat wij laten zien is dat de verscheidenheid naar herkomst van inwoners in veel Nederlandse gemeenten en buurten is toegenomen. Daarbij telt voor ons Marloes even zwaar als Misaki, Marek of Mohammed. Voor het analyseren van de toegenomen verscheidenheid naar herkomst gebruiken we een diversiteitsindex waarbij we inwoners uit alle 223 herkomstlanden hebben ingedeeld in 18 groepen. Inwoners met een Nederlandse achtergrond vormen één van die groepen. Onze index is kleurenblind. Crul suggereert dat we slechts oog hebben voor personen met een migratieachtergrond. Niets is minder waar: met onze index kunnen we juist laten zien dat door de komst van de ‘Hollandse Marloes’ de verscheidenheid in de ene buurt toeneemt en in een andere afneemt.

4.

Ook inwoners met een migratieachtergrond ervaren minder samenhang Een belangrijke vraag is wat die toegenomen verscheidenheid betekent voor sociale samenhang. Het is een vraag die permanent terugkeert in beleid, politiek en wetenschap. Uit onze eigen empirische analyses blijkt dat in buurten waar de verscheidenheid naar herkomst hoog is, bewoners de buurtverhoudingen als minder cohesief beoordelen, zich minder thuis voelen, en zich ook onveiliger voelen. Dit geldt niet alleen voor arme buurten, maar ook voor rijkere buurten. Ook zien we dit patroon bij inwoners met een migratieachtergrond, in het bijzonder bij Antillianen en Surinamers.

5.

Onze uitkomsten zijn niet het resultaat van een vooropgezet plan, maar van een nauwgezette empirische analyse. Dat geldt ook voor onze bevindingen over de samenhang tussen verscheidenheid naar herkomst en de wat grotere kans op delinquentie. Daarbij geven we aan dat de mate van verscheidenheid van een gemeente slechts één van de factoren is die de kans op daderschap verklaart. Ook wijzen wij er op dat geregistreerde en gerapporteerde criminaliteitscijfers sinds het begin van de eeuw dalen, terwijl de verscheidenheid naar herkomst sterk is gestegen. Dat laat zien dat verscheidenheid naar herkomst maar één van de factoren is die samenhangt met de kans op daderschap.

6.

Het effect van woonduur wordt overschat. Crul meent dat we geen rekening hebben gehouden met woonduur. Het effect van woonduur op sociale cohesie lijkt echter vrijwel geheel te verdwijnen als we rekening houden met sociaaleconomische omstandigheden. Overigens is in Amsterdam juist sprake van een grote dynamiek onder migranten. Van de migranten die zich in de periode 2006-2010 in de stad vestigden is bijna een derde binnen 2 jaar weer naar het buitenland vertrokken. Na 5 jaar is dit zelfs meer dan de helft. Daarbij gaat het echter niet om de buren van Crul, de ‘oude’ migrantengroepen, maar juist ook om nieuwe migrantengroepen, zoals EU-arbeidsmigranten, internationale studenten, kennismigranten en vluchtelingen.

Verder kijken

Migratie-onderzoekers moeten verder kunnen kijken dan de grenzen van hun eigen superdiverse buurt. Het gaat niet langer alleen om de integratie van Mohammed of Marloes, maar vooral over hoe we het samenleven van Misaki, Marloes, Mohammed én Marek kunnen vormgeven. Dat is de nieuwe realiteit van verscheidenheid die onder ogen moet worden gezien.

Auteurs

Dit opniniestuk is geschreven door WRR-raadsleden Mark Bovens en Godfried Engbersen en verscheen op nrc.nl (6 juni 2018) en in het NRC Handelsblad (7 juni 2018).